وَيْلٌ لِّلْمُطَفِّفِينَ﴿١﴾
Wee de knoeiers
ٱلَّذِينَ إِذَا ٱكْتَالُوا۟ عَلَى ٱلنَّاسِ يَسْتَوْفُونَ﴿٢﴾
die, wanneer zij zich door de mensen iets laten afmeten, de volle maat verlangen,
وَإِذَا كَالُوهُمْ أَو وَّزَنُوهُمْ يُخْسِرُونَ﴿٣﴾
maar die zelf, wanneer zij afmeten of afwegen, te weinig geven.
أَلَا يَظُنُّ أُو۟لَٰٓئِكَ أَنَّهُم مَّبْعُوثُونَ﴿٤﴾
Denken die mensen dan niet dat zij opgewekt worden
لِيَوْمٍ عَظِيمٍ﴿٥﴾
op een geweldige dag,
يَوْمَ يَقُومُ ٱلنَّاسُ لِرَبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ﴿٦﴾
op de dag waarop de mensen voor de Heer der Werelden staan?
- صفحة ٥٨٨
كَلَّآ إِنَّ كِتَٰبَ ٱلْفُجَّارِ لَفِى سِجِّينٍ﴿٧﴾
Welnee! Het boek van de overtreders is in Siddjien.
وَمَآ أَدْرَىٰكَ مَا سِجِّينٌ﴿٨﴾
En hoe kom jij te weten wat dat is: Siddjien?
كِتَٰبٌ مَّرْقُومٌ﴿٩﴾
Een vol beschreven boek.
وَيْلٌ يَوْمَئِذٍ لِّلْمُكَذِّبِينَ﴿١٠﴾
Wee op die dag de loochenaars
ٱلَّذِينَ يُكَذِّبُونَ بِيَوْمِ ٱلدِّينِ﴿١١﴾
die de oordeelsdag loochenen.
وَمَا يُكَذِّبُ بِهِۦٓ إِلَّا كُلُّ مُعْتَدٍ أَثِيمٍ﴿١٢﴾
Maar alleen elke zondige overtreder loochent hem.
إِذَا تُتْلَىٰ عَلَيْهِ ءَايَٰتُنَا قَالَ أَسَٰطِيرُ ٱلْأَوَّلِينَ﴿١٣﴾
Wanneer aan hem Onze tekenen voorgelezen worden zegt hij: "Fabels van hen die er eertijds waren."
كَلَّا بَلْ رَانَ عَلَىٰ قُلُوبِهِم مَّا كَانُوا۟ يَكْسِبُونَ﴿١٤﴾
Welnee! Maar wat zij begaan hebben is aan hun harten aangekoekt.
كَلَّآ إِنَّهُمْ عَن رَّبِّهِمْ يَوْمَئِذٍ لَّمَحْجُوبُونَ﴿١٥﴾
Welnee! Op die dag worden zij van hun Heer afgeschermd.
ثُمَّ إِنَّهُمْ لَصَالُوا۟ ٱلْجَحِيمِ﴿١٦﴾
Dan zullen zij in het hellevuur braden.
ثُمَّ يُقَالُ هَٰذَا ٱلَّذِى كُنتُم بِهِۦ تُكَذِّبُونَ﴿١٧﴾
En dan zal gezegd worden: "Dit is het wat jullie loochenden!"
كَلَّآ إِنَّ كِتَٰبَ ٱلْأَبْرَارِ لَفِى عِلِّيِّينَ﴿١٨﴾
Welnee! Het boek van de vromen is in 'Illijjoen.
وَمَآ أَدْرَىٰكَ مَا عِلِّيُّونَ﴿١٩﴾
En hoe kom jij te weten wat dat is: 'Illijjoen?
كِتَٰبٌ مَّرْقُومٌ﴿٢٠﴾
Een vol beschreven boek,
يَشْهَدُهُ ٱلْمُقَرَّبُونَ﴿٢١﴾
waarvan zij die in de nabijheid [van God] zijn gebracht getuige zijn.
إِنَّ ٱلْأَبْرَارَ لَفِى نَعِيمٍ﴿٢٢﴾
De vromen verkeren in gelukzaligheid.
عَلَى ٱلْأَرَآئِكِ يَنظُرُونَ﴿٢٣﴾
Op rustbanken kijken zij.
تَعْرِفُ فِى وُجُوهِهِمْ نَضْرَةَ ٱلنَّعِيمِ﴿٢٤﴾
Je herkent in hun gezichten het stralende van de gelukzaligheid.
يُسْقَوْنَ مِن رَّحِيقٍ مَّخْتُومٍ﴿٢٥﴾
Hun wordt verzegelde edele wijn te drinken gegeven,
خِتَٰمُهُۥ مِسْكٌ وَفِى ذَٰلِكَ فَلْيَتَنَافَسِ ٱلْمُتَنَٰفِسُونَ﴿٢٦﴾
waarvan het zegel muskus is -- daarvoor zou men om het hardst willen lopen --
وَمِزَاجُهُۥ مِن تَسْنِيمٍ﴿٢٧﴾
en die is bijgemengd uit Tasniem,
عَيْنًا يَشْرَبُ بِهَا ٱلْمُقَرَّبُونَ﴿٢٨﴾
een bron waaruit zij die in de nabijheid [van God] zijn gebracht drinken.
إِنَّ ٱلَّذِينَ أَجْرَمُوا۟ كَانُوا۟ مِنَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ يَضْحَكُونَ﴿٢٩﴾
Zij die boosdoeners waren lachten om hen die geloofden.
وَإِذَا مَرُّوا۟ بِهِمْ يَتَغَامَزُونَ﴿٣٠﴾
En wanneer zij hen voorbijkwamen knipoogden zij naar elkaar
وَإِذَا ٱنقَلَبُوٓا۟ إِلَىٰٓ أَهْلِهِمُ ٱنقَلَبُوا۟ فَكِهِينَ﴿٣١﴾
en wanneer zij naar hun huisgenoten terugkeerden, kwamen zij spottend weerom.
وَإِذَا رَأَوْهُمْ قَالُوٓا۟ إِنَّ هَٰٓؤُلَآءِ لَضَآلُّونَ﴿٣٢﴾
En wanneer zij hen zagen zeiden zij: "Die daar verkeren in dwaling."
وَمَآ أُرْسِلُوا۟ عَلَيْهِمْ حَٰفِظِينَ﴿٣٣﴾
Toch waren zij niet als bewakers naar hen gezonden.
فَٱلْيَوْمَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ مِنَ ٱلْكُفَّارِ يَضْحَكُونَ﴿٣٤﴾
Maar vandaag lachen zij die geloven om de ongelovigen.
- صفحة ٥٨٩
عَلَى ٱلْأَرَآئِكِ يَنظُرُونَ﴿٣٥﴾
Op rustbanken kijken zij.
هَلْ ثُوِّبَ ٱلْكُفَّارُ مَا كَانُوا۟ يَفْعَلُونَ﴿٣٦﴾
Zijn de ongelovigen beloond voor wat zij gedaan hebben?