حمٓ﴿١﴾
H[aa?] M[iem].
تَنزِيلُ ٱلْكِتَٰبِ مِنَ ٱللَّهِ ٱلْعَزِيزِ ٱلْعَلِيمِ﴿٢﴾
De neerzending van het boek is gebeurd door God, de machtige, de wetende,
غَافِرِ ٱلذَّنۢبِ وَقَابِلِ ٱلتَّوْبِ شَدِيدِ ٱلْعِقَابِ ذِى ٱلطَّوْلِ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ إِلَيْهِ ٱلْمَصِيرُ﴿٣﴾
Hij die de zonde vergeeft en het berouw aanvaardt, die streng is in de afstraffing en vermogend. Er is geen god dan Hij. Bij Hem is de bestemming.
مَا يُجَٰدِلُ فِىٓ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ إِلَّا ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ فَلَا يَغْرُرْكَ تَقَلُّبُهُمْ فِى ٱلْبِلَٰدِ﴿٤﴾
Over Gods tekenen twisten slechts zij die ongelovig zijn; laat je niet begoochelen doordat zij in het land rondtrekken.
كَذَّبَتْ قَبْلَهُمْ قَوْمُ نُوحٍ وَٱلْأَحْزَابُ مِنۢ بَعْدِهِمْ وَهَمَّتْ كُلُّ أُمَّةٍۭ بِرَسُولِهِمْ لِيَأْخُذُوهُ وَجَٰدَلُوا۟ بِٱلْبَٰطِلِ لِيُدْحِضُوا۟ بِهِ ٱلْحَقَّ فَأَخَذْتُهُمْ فَكَيْفَ كَانَ عِقَابِ﴿٥﴾
Voor hun tijd had het volk van Noeh van leugens beticht en na hen ook de partijen. En iedere gemeenschap was van plan om hun gezant te grijpen en zij redetwistten met behulp van onzin om daarmee de waarheid te weerleggen, maar Ik greep hen. En hoe was Mijn afstraffing dan?
وَكَذَٰلِكَ حَقَّتْ كَلِمَتُ رَبِّكَ عَلَى ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓا۟ أَنَّهُمْ أَصْحَٰبُ ٱلنَّارِ﴿٦﴾
Zo werd het woord van jouw Heer bewaarheid tegen hen die ongelovig zijn, dat zij in het vuur thuishoren.
ٱلَّذِينَ يَحْمِلُونَ ٱلْعَرْشَ وَمَنْ حَوْلَهُۥ يُسَبِّحُونَ بِحَمْدِ رَبِّهِمْ وَيُؤْمِنُونَ بِهِۦ وَيَسْتَغْفِرُونَ لِلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ رَبَّنَا وَسِعْتَ كُلَّ شَىْءٍ رَّحْمَةً وَعِلْمًا فَٱغْفِرْ لِلَّذِينَ تَابُوا۟ وَٱتَّبَعُوا۟ سَبِيلَكَ وَقِهِمْ عَذَابَ ٱلْجَحِيمِ﴿٧﴾
Zij die de troon dragen en eromheen staan prijzen de lof van hun Heer en geloven in Hem. En zij vragen om vergeving voor hen die geloven: "Onze Heer, U omvat alles in barmhartigheid en kennis. Vergeef dan hun die berouw tonen en Uw weg volgen en behoed hen voor de bestraffing van het hellevuur.
- صفحة ٤٦٨
رَبَّنَا وَأَدْخِلْهُمْ جَنَّٰتِ عَدْنٍ ٱلَّتِى وَعَدتَّهُمْ وَمَن صَلَحَ مِنْ ءَابَآئِهِمْ وَأَزْوَٰجِهِمْ وَذُرِّيَّٰتِهِمْ إِنَّكَ أَنتَ ٱلْعَزِيزُ ٱلْحَكِيمُ﴿٨﴾
Onze Heer, en laat hen de tuinen van 'Adn binnengaan die U hun hebt toegezegd en ook hen van hun vaderen en echtgenotes en nageslacht die rechtschapen zijn. U bent de machtige, de wijze.
وَقِهِمُ ٱلسَّيِّـَٔاتِ وَمَن تَقِ ٱلسَّيِّـَٔاتِ يَوْمَئِذٍ فَقَدْ رَحِمْتَهُۥ وَذَٰلِكَ هُوَ ٱلْفَوْزُ ٱلْعَظِيمُ﴿٩﴾
En behoed hen voor de slechte daden, want wie U op die dag voor de slechte daden beschermt, met hem hebt U erbarmen en dat is de geweldige triomf."
إِنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ يُنَادَوْنَ لَمَقْتُ ٱللَّهِ أَكْبَرُ مِن مَّقْتِكُمْ أَنفُسَكُمْ إِذْ تُدْعَوْنَ إِلَى ٱلْإِيمَٰنِ فَتَكْفُرُونَ﴿١٠﴾
Aan hen die ongelovig zijn wordt toegeroepen: "Gods afschuw is groter dan jullie afschuw van jezelf wanneer jullie tot het geloof worden opgeroepen en jullie toch ongelovig blijven."
قَالُوا۟ رَبَّنَآ أَمَتَّنَا ٱثْنَتَيْنِ وَأَحْيَيْتَنَا ٱثْنَتَيْنِ فَٱعْتَرَفْنَا بِذُنُوبِنَا فَهَلْ إِلَىٰ خُرُوجٍ مِّن سَبِيلٍ﴿١١﴾
Zij zeggen: "Onze Heer, U hebt ons tweemaal laten sterven en tweemaal tot leven gebracht. Wij erkennen dus onze zonden. Is er nog een weg om hier uit te komen?"
ذَٰلِكُم بِأَنَّهُۥٓ إِذَا دُعِىَ ٱللَّهُ وَحْدَهُۥ كَفَرْتُمْ وَإِن يُشْرَكْ بِهِۦ تُؤْمِنُوا۟ فَٱلْحُكْمُ لِلَّهِ ٱلْعَلِىِّ ٱلْكَبِيرِ﴿١٢﴾
Dat is zo omdat jullie ongelovig waren wanneer tot God alleen werd opgeroepen, en gelovig wanneer aan Hem metgezellen werden toegevoegd. Maar het oordeel komt God toe, de verhevene, de grote.
هُوَ ٱلَّذِى يُرِيكُمْ ءَايَٰتِهِۦ وَيُنَزِّلُ لَكُم مِّنَ ٱلسَّمَآءِ رِزْقًا وَمَا يَتَذَكَّرُ إِلَّا مَن يُنِيبُ﴿١٣﴾
Hij is het die jullie Zijn tekenen laat zien en die voor jullie uit de hemel levensonderhoud laat neerdalen. Maar slechts wie schuldbewust is Iaat zich vermanen.
فَٱدْعُوا۟ ٱللَّهَ مُخْلِصِينَ لَهُ ٱلدِّينَ وَلَوْ كَرِهَ ٱلْكَٰفِرُونَ﴿١٤﴾
Roept dus God aan waarbij jullie de godsdienst geheel aan Hem moeten wijden, ook al verafschuwen de ongelovigen het.
رَفِيعُ ٱلدَّرَجَٰتِ ذُو ٱلْعَرْشِ يُلْقِى ٱلرُّوحَ مِنْ أَمْرِهِۦ عَلَىٰ مَن يَشَآءُ مِنْ عِبَادِهِۦ لِيُنذِرَ يَوْمَ ٱلتَّلَاقِ﴿١٥﴾
De Verhevene van rang en de Heer van de troon verleent door Zijn beschikking de geest aan wie van Zijn dienaren Hij wil om voor de dag van de ontmoeting te waarschuwen,
يَوْمَ هُم بَٰرِزُونَ لَا يَخْفَىٰ عَلَى ٱللَّهِ مِنْهُمْ شَىْءٌ لِّمَنِ ٱلْمُلْكُ ٱلْيَوْمَ لِلَّهِ ٱلْوَٰحِدِ ٱلْقَهَّارِ﴿١٦﴾
de dag waarop zij vóórkomen, waarbij niets van hen voor God verborgen blijft. "Wie heeft vandaag de heerschappij?" "God, de ene, de albeheerser."
- صفحة ٤٦٩
ٱلْيَوْمَ تُجْزَىٰ كُلُّ نَفْسٍۭ بِمَا كَسَبَتْ لَا ظُلْمَ ٱلْيَوْمَ إِنَّ ٱللَّهَ سَرِيعُ ٱلْحِسَابِ﴿١٧﴾
"Vandaag wordt aan iedereen wat hij begaan heeft vergolden, vandaag is er geen onrecht." God is snel met de afrekening.
وَأَنذِرْهُمْ يَوْمَ ٱلْـَٔازِفَةِ إِذِ ٱلْقُلُوبُ لَدَى ٱلْحَنَاجِرِ كَٰظِمِينَ مَا لِلظَّٰلِمِينَ مِنْ حَمِيمٍ وَلَا شَفِيعٍ يُطَاعُ﴿١٨﴾
En waarschuw hen voor de dag van de aanstaande [opstanding] wanneer de harten bedrukt in de kelen kloppen. De onrechtplegers hebben dan geen echte vriend en geen bemiddelaar aan wie gehoor gegeven wordt.
يَعْلَمُ خَآئِنَةَ ٱلْأَعْيُنِ وَمَا تُخْفِى ٱلصُّدُورُ﴿١٩﴾
Hij kent het verraad in de ogen en wat de harten verbergen.
وَٱللَّهُ يَقْضِى بِٱلْحَقِّ وَٱلَّذِينَ يَدْعُونَ مِن دُونِهِۦ لَا يَقْضُونَ بِشَىْءٍ إِنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلْبَصِيرُ﴿٢٠﴾
En God beslist naar waarheid, maar zij die door hen in plaats van Hem aangeroepen worden beslissen niets. God is de horende, de doorziende. *
أَوَلَمْ يَسِيرُوا۟ فِى ٱلْأَرْضِ فَيَنظُرُوا۟ كَيْفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلَّذِينَ كَانُوا۟ مِن قَبْلِهِمْ كَانُوا۟ هُمْ أَشَدَّ مِنْهُمْ قُوَّةً وَءَاثَارًا فِى ٱلْأَرْضِ فَأَخَذَهُمُ ٱللَّهُ بِذُنُوبِهِمْ وَمَا كَانَ لَهُم مِّنَ ٱللَّهِ مِن وَاقٍ﴿٢١﴾
Hebben zij dan niet op de aarde rondgereisd en ernaar gekeken hoe het einde was van hen die er vóór hen waren? Zij waren sterker dan zij en lieten meer sporen achter op de aarde, maar God greep hen voor hun zonden; voor hen was er tegen God geen beschermer.
ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمْ كَانَت تَّأْتِيهِمْ رُسُلُهُم بِٱلْبَيِّنَٰتِ فَكَفَرُوا۟ فَأَخَذَهُمُ ٱللَّهُ إِنَّهُۥ قَوِىٌّ شَدِيدُ ٱلْعِقَابِ﴿٢٢﴾
Dat was omdat hun gezanten met de duidelijke bewijzen tot hen waren gekomen en zij toch ongelovig waren. Dus greep God hen; Hij is sterk en streng in de afstraffing.
وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا مُوسَىٰ بِـَٔايَٰتِنَا وَسُلْطَٰنٍ مُّبِينٍ﴿٢٣﴾
Wij hadden Moesa toch met Onze tekenen en een duidelijke machtiging gezonden
إِلَىٰ فِرْعَوْنَ وَهَٰمَٰنَ وَقَٰرُونَ فَقَالُوا۟ سَٰحِرٌ كَذَّابٌ﴿٢٤﴾
naar Fir'aun, Hamaan en Karoen. Maar zij zeiden: "Een leugenachtige tovenaar!"
فَلَمَّا جَآءَهُم بِٱلْحَقِّ مِنْ عِندِنَا قَالُوا۟ ٱقْتُلُوٓا۟ أَبْنَآءَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ مَعَهُۥ وَٱسْتَحْيُوا۟ نِسَآءَهُمْ وَمَا كَيْدُ ٱلْكَٰفِرِينَ إِلَّا فِى ضَلَٰلٍ﴿٢٥﴾
En toen hij met de waarheid van Ons bij hen kwam zeiden zij: "Doodt de zonen van hen die met hem geloven en laat hun vrouwen in leven." Maar de list van de ongelovigen mist steeds haar doel.
- صفحة ٤٧٠
وَقَالَ فِرْعَوْنُ ذَرُونِىٓ أَقْتُلْ مُوسَىٰ وَلْيَدْعُ رَبَّهُۥٓ إِنِّىٓ أَخَافُ أَن يُبَدِّلَ دِينَكُمْ أَوْ أَن يُظْهِرَ فِى ٱلْأَرْضِ ٱلْفَسَادَ﴿٢٦﴾
En Fir'aun zei: "Laat mij Moesa doden en hij moet dan maar zijn Heer aanroepen. Ik ben bang dat hij [anders] jullie godsdienst zal veranderen of zichtbaar verderf op de aarde zal brengen."
وَقَالَ مُوسَىٰٓ إِنِّى عُذْتُ بِرَبِّى وَرَبِّكُم مِّن كُلِّ مُتَكَبِّرٍ لَّا يُؤْمِنُ بِيَوْمِ ٱلْحِسَابِ﴿٢٧﴾
En Moesa zei: "Ik zoek bescherming bij mijn Heer en jullie Heer tegen iedere hoogmoedige die niet in de dag van de afrekening gelooft."
وَقَالَ رَجُلٌ مُّؤْمِنٌ مِّنْ ءَالِ فِرْعَوْنَ يَكْتُمُ إِيمَٰنَهُۥٓ أَتَقْتُلُونَ رَجُلًا أَن يَقُولَ رَبِّىَ ٱللَّهُ وَقَدْ جَآءَكُم بِٱلْبَيِّنَٰتِ مِن رَّبِّكُمْ وَإِن يَكُ كَٰذِبًا فَعَلَيْهِ كَذِبُهُۥ وَإِن يَكُ صَادِقًا يُصِبْكُم بَعْضُ ٱلَّذِى يَعِدُكُمْ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَهْدِى مَنْ هُوَ مُسْرِفٌ كَذَّابٌ﴿٢٨﴾
Een gelovige man uit Fir'auns mensen die zijn geloof verborgen hield zei: "Zullen jullie een man doden omdat hij zegt: 'Mijn Heer is God?, terwijl hij toch met de duidelijke bewijzen van zijn Heer tot jullie gekomen is? Als hij een leugenaar is zal zijn bedrog in zijn eigen nadeel zijn. Maar als hij gelijk heeft, dan zal jullie zeker iets van wat hij jullie heeft aangezegd treffen. God wijst de goede richting niet aan wie schaamteloos zijn en leugenaars.
يَٰقَوْمِ لَكُمُ ٱلْمُلْكُ ٱلْيَوْمَ ظَٰهِرِينَ فِى ٱلْأَرْضِ فَمَن يَنصُرُنَا مِنۢ بَأْسِ ٱللَّهِ إِن جَآءَنَا قَالَ فِرْعَوْنُ مَآ أُرِيكُمْ إِلَّا مَآ أَرَىٰ وَمَآ أَهْدِيكُمْ إِلَّا سَبِيلَ ٱلرَّشَادِ﴿٢٩﴾
Mijn volk! Heden hebben jullie de heerschappij, jullie hebben de overhand in het land, maar wie zal ons helpen tegen Gods geweld als dat tot ons komt?" Fir'aun zei: "Ik maak jullie er slechts opmerkzaam op hoe ik het zie en ik wijs jullie slechts de weg van de rechtschapenheid."
وَقَالَ ٱلَّذِىٓ ءَامَنَ يَٰقَوْمِ إِنِّىٓ أَخَافُ عَلَيْكُم مِّثْلَ يَوْمِ ٱلْأَحْزَابِ﴿٣٠﴾
Maar hij die geloofde zei: "Mijn volk! Ik vrees voor jullie iets dergelijks als de dag van de partijen,
مِثْلَ دَأْبِ قَوْمِ نُوحٍ وَعَادٍ وَثَمُودَ وَٱلَّذِينَ مِنۢ بَعْدِهِمْ وَمَا ٱللَّهُ يُرِيدُ ظُلْمًا لِّلْعِبَادِ﴿٣١﴾
iets dergelijks als het geval was met het volk van Noeh, de 'Aad en de Thamoed en hen die er na hen kwamen. Maar God wenst geen onrecht voor Zijn dienaren.
وَيَٰقَوْمِ إِنِّىٓ أَخَافُ عَلَيْكُمْ يَوْمَ ٱلتَّنَادِ﴿٣٢﴾
Mijn volk! Ik vrees voor jullie de dag van het elkaar toeroepen;
يَوْمَ تُوَلُّونَ مُدْبِرِينَ مَا لَكُم مِّنَ ٱللَّهِ مِنْ عَاصِمٍ وَمَن يُضْلِلِ ٱللَّهُ فَمَا لَهُۥ مِنْ هَادٍ﴿٣٣﴾
de dag waarop jullie de rug zullen toekeren, zullen jullie tegen God geen beschermer hebben. En als God iemand tot dwaling brengt is er voor hem niemand die de goede richting wijst.
- صفحة ٤٧١
وَلَقَدْ جَآءَكُمْ يُوسُفُ مِن قَبْلُ بِٱلْبَيِّنَٰتِ فَمَا زِلْتُمْ فِى شَكٍّ مِّمَّا جَآءَكُم بِهِۦ حَتَّىٰٓ إِذَا هَلَكَ قُلْتُمْ لَن يَبْعَثَ ٱللَّهُ مِنۢ بَعْدِهِۦ رَسُولًا كَذَٰلِكَ يُضِلُّ ٱللَّهُ مَنْ هُوَ مُسْرِفٌ مُّرْتَابٌ﴿٣٤﴾
Joesoef was toch met de duidelijke bewijzen tot jullie gekomen, maar jullie bleven in twijfel verkeren over wat hij jullie bracht. En toen hij dan aan zijn eind gekomen was zeiden jullie: 'God zal na hem wel geen andere gezant laten opstaan.? Zo brengt God tot dwaling wie schaamteloos zijn en twijfelaars,
ٱلَّذِينَ يُجَٰدِلُونَ فِىٓ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ بِغَيْرِ سُلْطَٰنٍ أَتَىٰهُمْ كَبُرَ مَقْتًا عِندَ ٱللَّهِ وَعِندَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ كَذَٰلِكَ يَطْبَعُ ٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ قَلْبِ مُتَكَبِّرٍ جَبَّارٍ﴿٣٥﴾
zij die over Gods tekenen twisten zonder dat er een machtiging tot hen gekomen is; dat wekt grote afschuw op bij God en bij hen die geloven. Zo verzegelt God het hart van iedereen die hoogmoedig is en een geweldenaar."
وَقَالَ فِرْعَوْنُ يَٰهَٰمَٰنُ ٱبْنِ لِى صَرْحًا لَّعَلِّىٓ أَبْلُغُ ٱلْأَسْبَٰبَ﴿٣٦﴾
En Fir'aun zei: "Hamaan, bouw voor mij een toren, misschien kan ik dan de ladders bereiken,
أَسْبَٰبَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ فَأَطَّلِعَ إِلَىٰٓ إِلَٰهِ مُوسَىٰ وَإِنِّى لَأَظُنُّهُۥ كَٰذِبًا وَكَذَٰلِكَ زُيِّنَ لِفِرْعَوْنَ سُوٓءُ عَمَلِهِۦ وَصُدَّ عَنِ ٱلسَّبِيلِ وَمَا كَيْدُ فِرْعَوْنَ إِلَّا فِى تَبَابٍ﴿٣٧﴾
de ladders van de hemelen, en kan ik omhoogklimmen naar de god van Moesa. Ik vermoed namelijk dat hij een leugenaar is." Zo werd voor Fir'aun de slechtheid van zijn handelen aantrekkelijk gemaakt en werd hij van de weg afgehouden. En de list van Fir'aun leidde slechts tot mislukking.
وَقَالَ ٱلَّذِىٓ ءَامَنَ يَٰقَوْمِ ٱتَّبِعُونِ أَهْدِكُمْ سَبِيلَ ٱلرَّشَادِ﴿٣٨﴾
Hij die gelovig was zei: "Mijn volk! Volgt mij, dan zal ik jullie de weg van de rechtschapenheid wijzen.
يَٰقَوْمِ إِنَّمَا هَٰذِهِ ٱلْحَيَوٰةُ ٱلدُّنْيَا مَتَٰعٌ وَإِنَّ ٱلْـَٔاخِرَةَ هِىَ دَارُ ٱلْقَرَارِ﴿٣٩﴾
Mijn volk! Dit tegenwoordige leven is niet meer dan vruchtgebruik, maar het hiernamaals, dat is de vaststaande woning.
مَنْ عَمِلَ سَيِّئَةً فَلَا يُجْزَىٰٓ إِلَّا مِثْلَهَا وَمَنْ عَمِلَ صَٰلِحًا مِّن ذَكَرٍ أَوْ أُنثَىٰ وَهُوَ مُؤْمِنٌ فَأُو۟لَٰٓئِكَ يَدْخُلُونَ ٱلْجَنَّةَ يُرْزَقُونَ فِيهَا بِغَيْرِ حِسَابٍ﴿٤٠﴾
Als iemand iets slechts doet, dan wordt hem slechts dienovereenkomstig vergolden. Maar wie van de mannen of de vrouwen deugdelijk handelen en gelovig zijn, dat zijn zij die de tuin binnengaan. Aan hen wordt daarin levensonderhoud gegeven, zonder afrekening. *
- صفحة ٤٧٢
وَيَٰقَوْمِ مَا لِىٓ أَدْعُوكُمْ إِلَى ٱلنَّجَوٰةِ وَتَدْعُونَنِىٓ إِلَى ٱلنَّارِ﴿٤١﴾
En, mijn volk, hoe komt het dat ik jullie tot de redding oproep en dat jullie mij tot het vuur oproepen?
تَدْعُونَنِى لِأَكْفُرَ بِٱللَّهِ وَأُشْرِكَ بِهِۦ مَا لَيْسَ لِى بِهِۦ عِلْمٌ وَأَنَا۠ أَدْعُوكُمْ إِلَى ٱلْعَزِيزِ ٱلْغَفَّٰرِ﴿٤٢﴾
Jullie roepen mij op aan God geen geloof te hechten en dat ik aan hem metgezellen toevoeg waarvan ik geen kennis heb, maar ik roep jullie op tot de machtige, de vergever.
لَا جَرَمَ أَنَّمَا تَدْعُونَنِىٓ إِلَيْهِ لَيْسَ لَهُۥ دَعْوَةٌ فِى ٱلدُّنْيَا وَلَا فِى ٱلْـَٔاخِرَةِ وَأَنَّ مَرَدَّنَآ إِلَى ٱللَّهِ وَأَنَّ ٱلْمُسْرِفِينَ هُمْ أَصْحَٰبُ ٱلنَّارِ﴿٤٣﴾
Het staat vast dat er tot dat waartoe jullie mij oproepen helemaal niet opgeroepen kan worden, niet in de tegenwoordige wereld en niet in het hiernamaals, dat onze terugkeer tot God is en dat de onmatigen in het vuur thuishoren.
فَسَتَذْكُرُونَ مَآ أَقُولُ لَكُمْ وَأُفَوِّضُ أَمْرِىٓ إِلَى ٱللَّهِ إِنَّ ٱللَّهَ بَصِيرٌۢ بِٱلْعِبَادِ﴿٤٤﴾
En wat ik tot jullie zeg zal jullie heugen, maar ik vertrouw mijn zaak aan God toe. God doorziet de dienaren."
فَوَقَىٰهُ ٱللَّهُ سَيِّـَٔاتِ مَا مَكَرُوا۟ وَحَاقَ بِـَٔالِ فِرْعَوْنَ سُوٓءُ ٱلْعَذَابِ﴿٤٥﴾
Toen behoedde God hem voor de slechte daden die zij beraamden en de mensen van Fir'aun werden ingesloten door de vreselijke bestraffing,
ٱلنَّارُ يُعْرَضُونَ عَلَيْهَا غُدُوًّا وَعَشِيًّا وَيَوْمَ تَقُومُ ٱلسَّاعَةُ أَدْخِلُوٓا۟ ءَالَ فِرْعَوْنَ أَشَدَّ ٱلْعَذَابِ﴿٤٦﴾
het vuur, waaraan zij 's morgens en 's avonds worden blootgesteld. En op de dag dat het uur aanbreekt [zal gezegd worden]: "Laat de mensen van Fir'aun de zwaarste bestraffing binnengaan."
وَإِذْ يَتَحَآجُّونَ فِى ٱلنَّارِ فَيَقُولُ ٱلضُّعَفَٰٓؤُا۟ لِلَّذِينَ ٱسْتَكْبَرُوٓا۟ إِنَّا كُنَّا لَكُمْ تَبَعًا فَهَلْ أَنتُم مُّغْنُونَ عَنَّا نَصِيبًا مِّنَ ٱلنَّارِ﴿٤٧﴾
En wanneer zij in het vuur met elkaar redetwisten en de zwakken tegen hen die hoogmoedig waren zullen zeggen: "Wij waren toch volgelingen van jullie, baten jullie ons dan als bescherming tegen een deel van het vuur?"
قَالَ ٱلَّذِينَ ٱسْتَكْبَرُوٓا۟ إِنَّا كُلٌّ فِيهَآ إِنَّ ٱللَّهَ قَدْ حَكَمَ بَيْنَ ٱلْعِبَادِ﴿٤٨﴾
Zij die hoogmoedig waren zeggen: "Wij zijn er toch allen in; God heeft tussen de dienaren geoordeeld."
وَقَالَ ٱلَّذِينَ فِى ٱلنَّارِ لِخَزَنَةِ جَهَنَّمَ ٱدْعُوا۟ رَبَّكُمْ يُخَفِّفْ عَنَّا يَوْمًا مِّنَ ٱلْعَذَابِ﴿٤٩﴾
En zij die in het vuur zijn zeggen tegen de bewakers van de hel: "Bidt tot jullie Heer dat Hij ons een dag verlichting van de bestraffing geeft."
- صفحة ٤٧٣
قَالُوٓا۟ أَوَلَمْ تَكُ تَأْتِيكُمْ رُسُلُكُم بِٱلْبَيِّنَٰتِ قَالُوا۟ بَلَىٰ قَالُوا۟ فَٱدْعُوا۟ وَمَا دُعَٰٓؤُا۟ ٱلْكَٰفِرِينَ إِلَّا فِى ضَلَٰلٍ﴿٥٠﴾
Zij zeggen: "Waren tot jullie niet jullie gezanten met de duidelijke bewijzen gekomen?" Zij zeggen: "Ja zeker." Zij zeggen: "Bidt dan zelf." Maar het gebed van de ongelovigen mist steeds zijn doel.
إِنَّا لَنَنصُرُ رُسُلَنَا وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ فِى ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا وَيَوْمَ يَقُومُ ٱلْأَشْهَٰدُ﴿٥١﴾
Wij helpen Onze gezanten en hen die geloven in het tegenwoordige leven en op de dag dat de getuigen opstaan,
يَوْمَ لَا يَنفَعُ ٱلظَّٰلِمِينَ مَعْذِرَتُهُمْ وَلَهُمُ ٱللَّعْنَةُ وَلَهُمْ سُوٓءُ ٱلدَّارِ﴿٥٢﴾
op de dag dat hun die onrecht pleegden hun verontschuldiging niet zal baten. Voor hen is de vloek en voor hen is de slechte woning.
وَلَقَدْ ءَاتَيْنَا مُوسَى ٱلْهُدَىٰ وَأَوْرَثْنَا بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ ٱلْكِتَٰبَ﴿٥٣﴾
En Wij hebben Moesa toch de leidraad gegeven en de Israëlieten hebben Wij het boek laten beërven,
هُدًى وَذِكْرَىٰ لِأُو۟لِى ٱلْأَلْبَٰبِ﴿٥٤﴾
als leidraad en vermaning voor de verstandigen.
فَٱصْبِرْ إِنَّ وَعْدَ ٱللَّهِ حَقٌّ وَٱسْتَغْفِرْ لِذَنۢبِكَ وَسَبِّحْ بِحَمْدِ رَبِّكَ بِٱلْعَشِىِّ وَٱلْإِبْكَٰرِ﴿٥٥﴾
Volhard dus geduldig, want Gods toezegging is waar, vraag om vergeving voor jouw zonde en prijs de lof van jouw Heer in de avond en 's ochtends vroeg.
إِنَّ ٱلَّذِينَ يُجَٰدِلُونَ فِىٓ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ بِغَيْرِ سُلْطَٰنٍ أَتَىٰهُمْ إِن فِى صُدُورِهِمْ إِلَّا كِبْرٌ مَّا هُم بِبَٰلِغِيهِ فَٱسْتَعِذْ بِٱللَّهِ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلْبَصِيرُ﴿٥٦﴾
Zij die over Gods tekenen twisten zonder dat er een machtiging tot hen gekomen is hebben in hun harten slechts grootheidswaan; zij zullen hun doel niet bereiken. Vraag dus God om bescherming; Hij is de wetende, de doorziende.
لَخَلْقُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ أَكْبَرُ مِنْ خَلْقِ ٱلنَّاسِ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَعْلَمُونَ﴿٥٧﴾
De schepping van de hemelen en de aarde is groter dan de schepping van de mens, maar de meeste mensen weten het niet.
وَمَا يَسْتَوِى ٱلْأَعْمَىٰ وَٱلْبَصِيرُ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ وَلَا ٱلْمُسِىٓءُ قَلِيلًا مَّا تَتَذَكَّرُونَ﴿٥٨﴾
De blinde en de ziende zijn niet gelijk, noch zij die geloven en de deugdelijke daden doen en zij die verkeerd doen. Hoe weinig laten jullie je vermanen.
- صفحة ٤٧٤
إِنَّ ٱلسَّاعَةَ لَـَٔاتِيَةٌ لَّا رَيْبَ فِيهَا وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يُؤْمِنُونَ﴿٥٩﴾
Het uur komt zeker, daaraan is geen twijfel, maar de meeste mensen geloven niet.
وَقَالَ رَبُّكُمُ ٱدْعُونِىٓ أَسْتَجِبْ لَكُمْ إِنَّ ٱلَّذِينَ يَسْتَكْبِرُونَ عَنْ عِبَادَتِى سَيَدْخُلُونَ جَهَنَّمَ دَاخِرِينَ﴿٦٠﴾
En jullie Heer zegt: "Roept Mij aan, dan zal Ik jullie verhoren. Zij die te hoogmoedig zijn om Mij te dienen zullen onderdanig de hel binnengaan."
ٱللَّهُ ٱلَّذِى جَعَلَ لَكُمُ ٱلَّيْلَ لِتَسْكُنُوا۟ فِيهِ وَٱلنَّهَارَ مُبْصِرًا إِنَّ ٱللَّهَ لَذُو فَضْلٍ عَلَى ٱلنَّاسِ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَشْكُرُونَ﴿٦١﴾
God is het die voor jullie de nacht gemaakt heeft om te rusten en de dag om te zien. God is vol van goedgunstigheid jegens de mensen, maar de meeste mensen betuigen geen dank.
ذَٰلِكُمُ ٱللَّهُ رَبُّكُمْ خَٰلِقُ كُلِّ شَىْءٍ لَّآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ فَأَنَّىٰ تُؤْفَكُونَ﴿٦٢﴾
Dat is God, jullie Heer, de schepper van alle dingen; er is geen god dan Hij. Hoe kunnen jullie dan zo worden afgeleid?
كَذَٰلِكَ يُؤْفَكُ ٱلَّذِينَ كَانُوا۟ بِـَٔايَٰتِ ٱللَّهِ يَجْحَدُونَ﴿٦٣﴾
Zij die Gods tekenen ontkennen worden zo afgeleid.
ٱللَّهُ ٱلَّذِى جَعَلَ لَكُمُ ٱلْأَرْضَ قَرَارًا وَٱلسَّمَآءَ بِنَآءً وَصَوَّرَكُمْ فَأَحْسَنَ صُوَرَكُمْ وَرَزَقَكُم مِّنَ ٱلطَّيِّبَٰتِ ذَٰلِكُمُ ٱللَّهُ رَبُّكُمْ فَتَبَارَكَ ٱللَّهُ رَبُّ ٱلْعَٰلَمِينَ﴿٦٤﴾
God is het die voor jullie de aarde tot een vaste grond heeft gemaakt en de hemel tot een gebouw, die jullie gevormd heeft -- een mooie vorm heeft Hij jullie gegeven -- en die met goede dingen in jullie onderhoud voorziet. Dat is God, jullie Heer. Gezegend zij dus God, de Heer van de wereldbewoners.
هُوَ ٱلْحَىُّ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ فَٱدْعُوهُ مُخْلِصِينَ لَهُ ٱلدِّينَ ٱلْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ﴿٦٥﴾
Hij is de levende, er is geen god dan Hij. Roept Hem dus aan terwijl jullie de godsdienst geheel aan Hem wijden. Lof zij God, de Heer van de wereldbewoners. *
قُلْ إِنِّى نُهِيتُ أَنْ أَعْبُدَ ٱلَّذِينَ تَدْعُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ لَمَّا جَآءَنِىَ ٱلْبَيِّنَٰتُ مِن رَّبِّى وَأُمِرْتُ أَنْ أُسْلِمَ لِرَبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ﴿٦٦﴾
Zeg: "Toen tot mij de duidelijke bewijzen van mijn Heer kwamen is mij verboden hen te dienen die jullie in plaats van God aanroepen en Mij is bevolen mij aan de Heer van de wereldbewoners over te geven.
- صفحة ٤٧٥
هُوَ ٱلَّذِى خَلَقَكُم مِّن تُرَابٍ ثُمَّ مِن نُّطْفَةٍ ثُمَّ مِنْ عَلَقَةٍ ثُمَّ يُخْرِجُكُمْ طِفْلًا ثُمَّ لِتَبْلُغُوٓا۟ أَشُدَّكُمْ ثُمَّ لِتَكُونُوا۟ شُيُوخًا وَمِنكُم مَّن يُتَوَفَّىٰ مِن قَبْلُ وَلِتَبْلُغُوٓا۟ أَجَلًا مُّسَمًّى وَلَعَلَّكُمْ تَعْقِلُونَ﴿٦٧﴾
Hij is het die jullie uit aarde geschapen heeft, daarna uit een druppel en daarna uit een bloedklonter. Dan brengt Hij jullie als kind tevoorschijn. Dan moeten jullie volgroeid worden. Dan moeten jullie oude mensen worden -- er zijn er onder jullie die Hij eerder wegneemt? en jullie moeten een vastgestelde termijn bereiken. En misschien zullen jullie verstandig worden.
هُوَ ٱلَّذِى يُحْىِۦ وَيُمِيتُ فَإِذَا قَضَىٰٓ أَمْرًا فَإِنَّمَا يَقُولُ لَهُۥ كُن فَيَكُونُ﴿٦٨﴾
Hij is het die leven geeft en laat sterven en wanneer Hij iets beslist zegt Hij er slechts tegen: 'Wees!? en het is."
أَلَمْ تَرَ إِلَى ٱلَّذِينَ يُجَٰدِلُونَ فِىٓ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ أَنَّىٰ يُصْرَفُونَ﴿٦٩﴾
Heb jij niet gezien naar hen die over Gods tekenen twisten hoe zij zich laten verstrooien?
ٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ بِٱلْكِتَٰبِ وَبِمَآ أَرْسَلْنَا بِهِۦ رُسُلَنَا فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ﴿٧٠﴾
Zij die het boek en dat waarmee Wij Onze gezanten gezonden hebben loochenen, zullen het weten.
إِذِ ٱلْأَغْلَٰلُ فِىٓ أَعْنَٰقِهِمْ وَٱلسَّلَٰسِلُ يُسْحَبُونَ﴿٧١﴾
Wanneer zij de halsketenen om hun nekken hebben en de kettingen, worden zij gesleurd
فِى ٱلْحَمِيمِ ثُمَّ فِى ٱلنَّارِ يُسْجَرُونَ﴿٧٢﴾
in het gloeiende water en daarna in het vuur verbrand.
ثُمَّ قِيلَ لَهُمْ أَيْنَ مَا كُنتُمْ تُشْرِكُونَ﴿٧٣﴾
Dan wordt er tot hen gezegd: "Waar zijn zij dan die jullie als [zogenaamd goddelijke] metgezellen vereren
مِن دُونِ ٱللَّهِ قَالُوا۟ ضَلُّوا۟ عَنَّا بَل لَّمْ نَكُن نَّدْعُوا۟ مِن قَبْلُ شَيْـًٔا كَذَٰلِكَ يُضِلُّ ٱللَّهُ ٱلْكَٰفِرِينَ﴿٧٤﴾
in plaats van God?" Zij zeggen: "Wij zijn hen kwijt. Nee, wij hadden vroeger niets aangeroepen." Zo brengt God de ongelovigen tot dwaling.
ذَٰلِكُم بِمَا كُنتُمْ تَفْرَحُونَ فِى ٱلْأَرْضِ بِغَيْرِ ٱلْحَقِّ وَبِمَا كُنتُمْ تَمْرَحُونَ﴿٧٥﴾
Dat komt omdat jullie je op de aarde onterecht verheugden en omdat jullie verwaand waren.
ٱدْخُلُوٓا۟ أَبْوَٰبَ جَهَنَّمَ خَٰلِدِينَ فِيهَا فَبِئْسَ مَثْوَى ٱلْمُتَكَبِّرِينَ﴿٧٦﴾
"Gaat de poorten van de hel binnen om er altijd in te blijven. Dat is pas een slechte verblijfplaats voor de hoogmoedigen!"
فَٱصْبِرْ إِنَّ وَعْدَ ٱللَّهِ حَقٌّ فَإِمَّا نُرِيَنَّكَ بَعْضَ ٱلَّذِى نَعِدُهُمْ أَوْ نَتَوَفَّيَنَّكَ فَإِلَيْنَا يُرْجَعُونَ﴿٧٧﴾
Volhard dus geduldig, want Gods toezegging is waar. En of Wij jou iets van wat wij hun aangezegd hebben laten zien of dat Wij jou wegnemen, tot Ons zullen zij teruggebracht worden.
- صفحة ٤٧٦
وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا رُسُلًا مِّن قَبْلِكَ مِنْهُم مَّن قَصَصْنَا عَلَيْكَ وَمِنْهُم مَّن لَّمْ نَقْصُصْ عَلَيْكَ وَمَا كَانَ لِرَسُولٍ أَن يَأْتِىَ بِـَٔايَةٍ إِلَّا بِإِذْنِ ٱللَّهِ فَإِذَا جَآءَ أَمْرُ ٱللَّهِ قُضِىَ بِٱلْحَقِّ وَخَسِرَ هُنَالِكَ ٱلْمُبْطِلُونَ﴿٧٨﴾
En Wij hebben al voor jouw tijd gezanten gezonden. Onder hen zijn er over wie Wij jou verteld hebben en onder hen zijn er over wie Wij jou niet verteld hebben. Het komt een gezant niet toe een teken te brengen zonder Gods toestemming. Maar wanneer Gods beschikking komt wordt naar waarheid beslist. En zij die zeggen dat het niet waar is zullen verloren zijn.
ٱللَّهُ ٱلَّذِى جَعَلَ لَكُمُ ٱلْأَنْعَٰمَ لِتَرْكَبُوا۟ مِنْهَا وَمِنْهَا تَأْكُلُونَ﴿٧٩﴾
God is het die voor jullie het vee gemaakt heeft om erop te rijden en om ervan te eten.
وَلَكُمْ فِيهَا مَنَٰفِعُ وَلِتَبْلُغُوا۟ عَلَيْهَا حَاجَةً فِى صُدُورِكُمْ وَعَلَيْهَا وَعَلَى ٱلْفُلْكِ تُحْمَلُونَ﴿٨٠﴾
Jullie hebben daarmee allerlei nuttigheden. En ook kunnen jullie erop iets bereiken wat jullie na aan het hart ligt. Op hen en ook op de schepen worden jullie gedragen.
وَيُرِيكُمْ ءَايَٰتِهِۦ فَأَىَّ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ تُنكِرُونَ﴿٨١﴾
En Hij laat jullie Zijn tekenen zien. Welk teken van God verwerpen jullie dan?
أَفَلَمْ يَسِيرُوا۟ فِى ٱلْأَرْضِ فَيَنظُرُوا۟ كَيْفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِهِمْ كَانُوٓا۟ أَكْثَرَ مِنْهُمْ وَأَشَدَّ قُوَّةً وَءَاثَارًا فِى ٱلْأَرْضِ فَمَآ أَغْنَىٰ عَنْهُم مَّا كَانُوا۟ يَكْسِبُونَ﴿٨٢﴾
Hebben zij dan niet op de aarde rondgereisd en ernaar gekeken hoe het einde was van hen die er vóór hen waren? Zij waren meer dan hen en sterker en lieten meer sporen achter op de aarde, maar wat zij ten uitvoer hadden gebracht baatte hun niet.
فَلَمَّا جَآءَتْهُمْ رُسُلُهُم بِٱلْبَيِّنَٰتِ فَرِحُوا۟ بِمَا عِندَهُم مِّنَ ٱلْعِلْمِ وَحَاقَ بِهِم مَّا كَانُوا۟ بِهِۦ يَسْتَهْزِءُونَ﴿٨٣﴾
Toen dan Onze gezanten met de duidelijke bewijzen tot hen kwamen verheugden zij zich over wat zij aan kennis hadden, maar zij werden ingesloten door dat waarmee zij de spot dreven.
فَلَمَّا رَأَوْا۟ بَأْسَنَا قَالُوٓا۟ ءَامَنَّا بِٱللَّهِ وَحْدَهُۥ وَكَفَرْنَا بِمَا كُنَّا بِهِۦ مُشْرِكِينَ﴿٨٤﴾
En toen zij Ons geweld zagen zeiden zij: "Wij geloven in God alleen en wij hechten geen geloof aan wat wij aan Hem als metgezellen toegevoegd hebben."
فَلَمْ يَكُ يَنفَعُهُمْ إِيمَٰنُهُمْ لَمَّا رَأَوْا۟ بَأْسَنَا سُنَّتَ ٱللَّهِ ٱلَّتِى قَدْ خَلَتْ فِى عِبَادِهِۦ وَخَسِرَ هُنَالِكَ ٱلْكَٰفِرُونَ﴿٨٥﴾
Maar zij hadden geen nut van hun geloof toen zij Ons geweld zagen. Het was Gods gebruikelijke behandeling die reeds eerder te midden van Zijn dienaren had plaatsgevonden. Daar hadden de ongelovigen dus verloren.