37 · Makkī

الصافات

As-Saaffaat·Those drawn up in Ranks

✦ memorize this sūrah

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ

  1. وَٱلصَّٰٓفَّٰتِ صَفًّا﴿١﴾

    Bij de zich in rijen opstellenden,

  2. فَٱلزَّٰجِرَٰتِ زَجْرًا﴿٢﴾

    de scheldend afschrikkenden

  3. فَٱلتَّٰلِيَٰتِ ذِكْرًا﴿٣﴾

    en een vermaning voorlezenden!

  4. إِنَّ إِلَٰهَكُمْ لَوَٰحِدٌ﴿٤﴾

    Voorwaar, jullie god is één,

  5. رَّبُّ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا وَرَبُّ ٱلْمَشَٰرِقِ﴿٥﴾

    de Heer van de hemelen, de aarde en wat er tussen beide is en de Heer van de plaatsen van opkomst.

  6. إِنَّا زَيَّنَّا ٱلسَّمَآءَ ٱلدُّنْيَا بِزِينَةٍ ٱلْكَوَاكِبِ﴿٦﴾

    Wij hebben de dichtstbijzijnde hemel met de pracht van de sterren opgesierd

  7. وَحِفْظًا مِّن كُلِّ شَيْطَٰنٍ مَّارِدٍ﴿٧﴾

    om ook elke opstandige satan af te weren,

  8. لَّا يَسَّمَّعُونَ إِلَى ٱلْمَلَإِ ٱلْأَعْلَىٰ وَيُقْذَفُونَ مِن كُلِّ جَانِبٍ﴿٨﴾

    zodat zij niet naar de allerhoogste raad van voornaamsten kunnen luisteren. En er wordt van elke kant tegen hen aan gegooid

  9. دُحُورًا وَلَهُمْ عَذَابٌ وَاصِبٌ﴿٩﴾

    om hen te verjagen -- en voor hen is er een voortdurende bestraffing --

  10. إِلَّا مَنْ خَطِفَ ٱلْخَطْفَةَ فَأَتْبَعَهُۥ شِهَابٌ ثَاقِبٌ﴿١٠﴾

    behalve als iemand toch iets opvangt; hij wordt dan achtervolgd door een brandende staartster.

  11. فَٱسْتَفْتِهِمْ أَهُمْ أَشَدُّ خَلْقًا أَم مَّنْ خَلَقْنَآ إِنَّا خَلَقْنَٰهُم مِّن طِينٍ لَّازِبٍۭ﴿١١﴾

    Vraag hun maar om uitsluitsel of zij het moeilijkst te scheppen zijn of anderen die Wij geschapen hebben; hen hebben Wij van kleverige klei geschapen.

  12. بَلْ عَجِبْتَ وَيَسْخَرُونَ﴿١٢﴾

    Nee, jij bent verbaasd, maar zij schimpen.

  13. وَإِذَا ذُكِّرُوا۟ لَا يَذْكُرُونَ﴿١٣﴾

    Wanneer zij vermaand worden gedenken zij niet.

  14. وَإِذَا رَأَوْا۟ ءَايَةً يَسْتَسْخِرُونَ﴿١٤﴾

    Wanneer zij een teken zien lachen zij schamper

  15. وَقَالُوٓا۟ إِنْ هَٰذَآ إِلَّا سِحْرٌ مُّبِينٌ﴿١٥﴾

    en zeggen: "Dit is duidelijk slechts toverij.

  16. أَءِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَٰمًا أَءِنَّا لَمَبْعُوثُونَ﴿١٦﴾

    Wanneer wij gestorven zijn en stof en botten geworden, zullen wij dan opgewekt worden?

  17. أَوَءَابَآؤُنَا ٱلْأَوَّلُونَ﴿١٧﴾

    En onze vaderen dan, die er eertijds waren?"

  18. قُلْ نَعَمْ وَأَنتُمْ دَٰخِرُونَ﴿١٨﴾

    Zeg: "Ja zeker, en jullie zullen onderdanig zijn."

  19. فَإِنَّمَا هِىَ زَجْرَةٌ وَٰحِدَةٌ فَإِذَا هُمْ يَنظُرُونَ﴿١٩﴾

    Dan klinkt slechts één afschrikkende kreet en dan zullen zij [staan te] kijken

  20. وَقَالُوا۟ يَٰوَيْلَنَا هَٰذَا يَوْمُ ٱلدِّينِ﴿٢٠﴾

    en zeggen: "Wee ons, dit is de oordeelsdag!"

  21. هَٰذَا يَوْمُ ٱلْفَصْلِ ٱلَّذِى كُنتُم بِهِۦ تُكَذِّبُونَ﴿٢١﴾

    "Dit is de dag van de schifting die jullie hebben geloochend." *

  22. ٱحْشُرُوا۟ ٱلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ وَأَزْوَٰجَهُمْ وَمَا كَانُوا۟ يَعْبُدُونَ﴿٢٢﴾

    "Verzamelt hen die onrecht hebben gepleegd, hun echtgenoten en wat zij hebben gediend,

  23. مِن دُونِ ٱللَّهِ فَٱهْدُوهُمْ إِلَىٰ صِرَٰطِ ٱلْجَحِيمِ﴿٢٣﴾

    in plaats van God. Voert hen dan op de weg naar het hellevuur.

  24. وَقِفُوهُمْ إِنَّهُم مَّسْـُٔولُونَ﴿٢٤﴾

    En laat hen zich opstellen, want zij moeten verantwoording afleggen."

  25. صفحة ٤٤٧
  26. مَا لَكُمْ لَا تَنَاصَرُونَ﴿٢٥﴾

    "Waarom hebben jullie elkaar niet geholpen?"

  27. بَلْ هُمُ ٱلْيَوْمَ مُسْتَسْلِمُونَ﴿٢٦﴾

    Maar nee, vandaag geven zij zich over.

  28. وَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ يَتَسَآءَلُونَ﴿٢٧﴾

    Zij komen op elkaar toe om elkaar te ondervragen.

  29. قَالُوٓا۟ إِنَّكُمْ كُنتُمْ تَأْتُونَنَا عَنِ ٱلْيَمِينِ﴿٢٨﴾

    Zij zeggen: "Jullie kwamen altijd van rechts op ons toe."

  30. قَالُوا۟ بَل لَّمْ تَكُونُوا۟ مُؤْمِنِينَ﴿٢٩﴾

    Zij zeggen: "Welnee, wij waren geen gelovigen

  31. وَمَا كَانَ لَنَا عَلَيْكُم مِّن سُلْطَٰنٍۭ بَلْ كُنتُمْ قَوْمًا طَٰغِينَ﴿٣٠﴾

    en wij hadden geen macht over jullie, maar jullie waren onbeschaamde mensen.

  32. فَحَقَّ عَلَيْنَا قَوْلُ رَبِّنَآ إِنَّا لَذَآئِقُونَ﴿٣١﴾

    En dus is de uitspraak van onze Heer tegen ons bewaarheid. Wij zullen het proeven.

  33. فَأَغْوَيْنَٰكُمْ إِنَّا كُنَّا غَٰوِينَ﴿٣٢﴾

    Wij hebben jullie misleid, maar wij waren zelf misleid."

  34. فَإِنَّهُمْ يَوْمَئِذٍ فِى ٱلْعَذَابِ مُشْتَرِكُونَ﴿٣٣﴾

    Op die dag zijn zij dus deelgenoten in de bestraffing.

  35. إِنَّا كَذَٰلِكَ نَفْعَلُ بِٱلْمُجْرِمِينَ﴿٣٤﴾

    Zo doen Wij met de boosdoeners.

  36. إِنَّهُمْ كَانُوٓا۟ إِذَا قِيلَ لَهُمْ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا ٱللَّهُ يَسْتَكْبِرُونَ﴿٣٥﴾

    Toen tot hen gezegd werd: "Er is geen god dan God" waren zij hoogmoedig

  37. وَيَقُولُونَ أَئِنَّا لَتَارِكُوٓا۟ ءَالِهَتِنَا لِشَاعِرٍ مَّجْنُونٍۭ﴿٣٦﴾

    en zeiden: "Zullen wij onze goden voor een bezeten dichter verlaten?"

  38. بَلْ جَآءَ بِٱلْحَقِّ وَصَدَّقَ ٱلْمُرْسَلِينَ﴿٣٧﴾

    Welnee, hij is met de waarheid gekomen en bevestigt de gezondenen.

  39. إِنَّكُمْ لَذَآئِقُوا۟ ٱلْعَذَابِ ٱلْأَلِيمِ﴿٣٨﴾

    Maar jullie zullen de pijnlijke bestraffing proeven.

  40. وَمَا تُجْزَوْنَ إِلَّا مَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ﴿٣٩﴾

    En aan jullie wordt slechts vergolden wat jullie gedaan hebben.

  41. إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ﴿٤٠﴾

    Maar [dat geldt] niet voor de toegewijde dienaren van God.

  42. أُو۟لَٰٓئِكَ لَهُمْ رِزْقٌ مَّعْلُومٌ﴿٤١﴾

    Zij zijn het voor wie er een vastgestelde voorziening is:

  43. فَوَٰكِهُ وَهُم مُّكْرَمُونَ﴿٤٢﴾

    Vruchten; en zij worden geëerd

  44. فِى جَنَّٰتِ ٱلنَّعِيمِ﴿٤٣﴾

    in de tuinen van de gelukzaligheid;

  45. عَلَىٰ سُرُرٍ مُّتَقَٰبِلِينَ﴿٤٤﴾

    op rustbanken zitten zij tegenover elkaar,

  46. يُطَافُ عَلَيْهِم بِكَأْسٍ مِّن مَّعِينٍۭ﴿٤٥﴾

    terwijl een drinkbeker bij hen wordt rondgegeven [waarin een drank is] uit een bron,

  47. بَيْضَآءَ لَذَّةٍ لِّلشَّٰرِبِينَ﴿٤٦﴾

    die helderwit is en aangenaam voor de drinkers,

  48. لَا فِيهَا غَوْلٌ وَلَا هُمْ عَنْهَا يُنزَفُونَ﴿٤٧﴾

    zonder iets schadelijks erin en waarvan zij niet beneveld raken.

  49. وَعِندَهُمْ قَٰصِرَٰتُ ٱلطَّرْفِ عِينٌ﴿٤٨﴾

    En bij hen zijn gezellinnen met afgewende blikken en met grote ogen,

  50. كَأَنَّهُنَّ بَيْضٌ مَّكْنُونٌ﴿٤٩﴾

    alsof zij goed bewaarde eieren zijn.

  51. فَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ يَتَسَآءَلُونَ﴿٥٠﴾

    Zij komen op elkaar toe om elkaar te ondervragen.

  52. قَالَ قَآئِلٌ مِّنْهُمْ إِنِّى كَانَ لِى قَرِينٌ﴿٥١﴾

    Iemand uit hun midden zegt: "Ik had een kameraad,

  53. صفحة ٤٤٨
  54. يَقُولُ أَءِنَّكَ لَمِنَ ٱلْمُصَدِّقِينَ﴿٥٢﴾

    die zei: 'Ben jij echt een van hen die denken dat het waar is?

  55. أَءِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَٰمًا أَءِنَّا لَمَدِينُونَ﴿٥٣﴾

    Wanneer wij gestorven zijn en stof en botten geworden, zullen wij dan geoordeeld worden??"

  56. قَالَ هَلْ أَنتُم مُّطَّلِعُونَ﴿٥٤﴾

    Hij zegt: "Willen jullie naar beneden kijken?"

  57. فَٱطَّلَعَ فَرَءَاهُ فِى سَوَآءِ ٱلْجَحِيمِ﴿٥٥﴾

    Dan kijkt hij naar beneden en ziet hem midden in het hellevuur.

  58. قَالَ تَٱللَّهِ إِن كِدتَّ لَتُرْدِينِ﴿٥٦﴾

    Hij zegt: "Bij God, bijna had jij mij in het verderf gestort.

  59. وَلَوْلَا نِعْمَةُ رَبِّى لَكُنتُ مِنَ ٱلْمُحْضَرِينَ﴿٥٧﴾

    Zonder Gods genade zou ik een van hen geweest zijn die voorgeleid worden.

  60. أَفَمَا نَحْنُ بِمَيِّتِينَ﴿٥٨﴾

    Maar wij zijn toch niet dood?

  61. إِلَّا مَوْتَتَنَا ٱلْأُولَىٰ وَمَا نَحْنُ بِمُعَذَّبِينَ﴿٥٩﴾

    Alleen onze eerste dood hebben we gehad. En wij worden toch ook niet gestraft?

  62. إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ ٱلْفَوْزُ ٱلْعَظِيمُ﴿٦٠﴾

    Dit is de geweldige triomf!

  63. لِمِثْلِ هَٰذَا فَلْيَعْمَلِ ٱلْعَٰمِلُونَ﴿٦١﴾

    Iets dergelijks, daar moet men naar toewerken."

  64. أَذَٰلِكَ خَيْرٌ نُّزُلًا أَمْ شَجَرَةُ ٱلزَّقُّومِ﴿٦٢﴾

    Is dat beter als gastverblijf of de zakkoemboom?

  65. إِنَّا جَعَلْنَٰهَا فِتْنَةً لِّلظَّٰلِمِينَ﴿٦٣﴾

    Wij hebben die tot een verzoeking gemaakt voor de onrechtplegers.

  66. إِنَّهَا شَجَرَةٌ تَخْرُجُ فِىٓ أَصْلِ ٱلْجَحِيمِ﴿٦٤﴾

    Het is een boom die uit de oorsprong van het hellevuur tevoorschijn komt,

  67. طَلْعُهَا كَأَنَّهُۥ رُءُوسُ ٱلشَّيَٰطِينِ﴿٦٥﴾

    waarvan de knoppen zijn als satanskoppen.

  68. فَإِنَّهُمْ لَـَٔاكِلُونَ مِنْهَا فَمَالِـُٔونَ مِنْهَا ٱلْبُطُونَ﴿٦٦﴾

    Daar eten zij van en vullen hun buiken ermee.

  69. ثُمَّ إِنَّ لَهُمْ عَلَيْهَا لَشَوْبًا مِّنْ حَمِيمٍ﴿٦٧﴾

    Daaroverheen krijgen zij dan een mengsel van gloeiend water.

  70. ثُمَّ إِنَّ مَرْجِعَهُمْ لَإِلَى ٱلْجَحِيمِ﴿٦٨﴾

    Hun terugkeer is dan naar het hellevuur.

  71. إِنَّهُمْ أَلْفَوْا۟ ءَابَآءَهُمْ ضَآلِّينَ﴿٦٩﴾

    Zij hebben hun vaderen in dwaling aangetroffen

  72. فَهُمْ عَلَىٰٓ ءَاثَٰرِهِمْ يُهْرَعُونَ﴿٧٠﴾

    en zijn hen achterna gesneld.

  73. وَلَقَدْ ضَلَّ قَبْلَهُمْ أَكْثَرُ ٱلْأَوَّلِينَ﴿٧١﴾

    Voor hun tijd verkeerden de meesten van hen die er eertijds waren al in dwaling,

  74. وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا فِيهِم مُّنذِرِينَ﴿٧٢﴾

    hoewel Wij in hun midden waarschuwers hadden gezonden.

  75. فَٱنظُرْ كَيْفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلْمُنذَرِينَ﴿٧٣﴾

    Kijk dan hoe het einde was van de gewaarschuwden!

  76. إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ﴿٧٤﴾

    Maar [dat geldt] niet voor de toegewijde dienaren van God.

  77. وَلَقَدْ نَادَىٰنَا نُوحٌ فَلَنِعْمَ ٱلْمُجِيبُونَ﴿٧٥﴾

    Noeh had tot Ons geroepen; een voortreffelijk verhoorder [zijn Wij].

  78. وَنَجَّيْنَٰهُ وَأَهْلَهُۥ مِنَ ٱلْكَرْبِ ٱلْعَظِيمِ﴿٧٦﴾

    En Wij redden hem en zijn familie uit de geweldige benardheid

  79. صفحة ٤٤٩
  80. وَجَعَلْنَا ذُرِّيَّتَهُۥ هُمُ ٱلْبَاقِينَ﴿٧٧﴾

    en maakten dat het zijn nakomelingen waren die overbleven.

  81. وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ﴿٧٨﴾

    En Wij lieten voor hem een goede naam bij het nageslacht na.

  82. سَلَٰمٌ عَلَىٰ نُوحٍ فِى ٱلْعَٰلَمِينَ﴿٧٩﴾

    Vrede zij met Noeh onder de wereldbewoners!

  83. إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ﴿٨٠﴾

    Zo belonen Wij hen die goed doen.

  84. إِنَّهُۥ مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُؤْمِنِينَ﴿٨١﴾

    Hij behoort tot Onze gelovige dienaren.

  85. ثُمَّ أَغْرَقْنَا ٱلْـَٔاخَرِينَ﴿٨٢﴾

    Toen lieten Wij de anderen verdrinken. *

  86. وَإِنَّ مِن شِيعَتِهِۦ لَإِبْرَٰهِيمَ﴿٨٣﴾

    Tot zijn groepering behoorde ook Ibrahiem.

  87. إِذْ جَآءَ رَبَّهُۥ بِقَلْبٍ سَلِيمٍ﴿٨٤﴾

    Toen hij tot zijn Heer kwam met een zuiver hart.

  88. إِذْ قَالَ لِأَبِيهِ وَقَوْمِهِۦ مَاذَا تَعْبُدُونَ﴿٨٥﴾

    Toen hij tot zijn vader en zijn volk kwam en zei: "Wat dienen jullie toch?

  89. أَئِفْكًا ءَالِهَةً دُونَ ٱللَّهِ تُرِيدُونَ﴿٨٦﴾

    Wensen jullie iets lasterlijks: andere goden in plaats van God?

  90. فَمَا ظَنُّكُم بِرَبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ﴿٨٧﴾

    En wat is jullie mening over de Heer van de wereldbewoners?"

  91. فَنَظَرَ نَظْرَةً فِى ٱلنُّجُومِ﴿٨٨﴾

    Toen keek hij opmerkzaam naar de sterren

  92. فَقَالَ إِنِّى سَقِيمٌ﴿٨٩﴾

    en zei: "Ik ben ziek."

  93. فَتَوَلَّوْا۟ عَنْهُ مُدْبِرِينَ﴿٩٠﴾

    Dus keerden zij hem de rug toe.

  94. فَرَاغَ إِلَىٰٓ ءَالِهَتِهِمْ فَقَالَ أَلَا تَأْكُلُونَ﴿٩١﴾

    Toen wendde hij zich tersluiks tot hun goden en zei: "Eten jullie dan niet?

  95. مَا لَكُمْ لَا تَنطِقُونَ﴿٩٢﴾

    Waarom spreken jullie niet?"

  96. فَرَاغَ عَلَيْهِمْ ضَرْبًۢا بِٱلْيَمِينِ﴿٩٣﴾

    En hij begon ze met zijn rechterhand kapot te slaan.

  97. فَأَقْبَلُوٓا۟ إِلَيْهِ يَزِفُّونَ﴿٩٤﴾

    Toen kwamen zij wel op hem toe rennen.

  98. قَالَ أَتَعْبُدُونَ مَا تَنْحِتُونَ﴿٩٥﴾

    Hij zei: "Dienen jullie wat jullie zelf uitgehouwen hebben?

  99. وَٱللَّهُ خَلَقَكُمْ وَمَا تَعْمَلُونَ﴿٩٦﴾

    Maar God heeft jullie en wat jullie maken geschapen."

  100. قَالُوا۟ ٱبْنُوا۟ لَهُۥ بُنْيَٰنًا فَأَلْقُوهُ فِى ٱلْجَحِيمِ﴿٩٧﴾

    Zij zeiden: "Trekt voor hem een gebouw op en werpt hem dan in het helse vuur."

  101. فَأَرَادُوا۟ بِهِۦ كَيْدًا فَجَعَلْنَٰهُمُ ٱلْأَسْفَلِينَ﴿٩٨﴾

    Zij wilden tegen hem graag een list beramen, maar Wij maakten hen tot de onderliggenden.

  102. وَقَالَ إِنِّى ذَاهِبٌ إِلَىٰ رَبِّى سَيَهْدِينِ﴿٩٩﴾

    En hij zei: "Ik ga tot mijn Heer, Hij zal mij op het goede pad brengen.

  103. رَبِّ هَبْ لِى مِنَ ٱلصَّٰلِحِينَ﴿١٠٠﴾

    Mijn Heer, schenk mij iemand die rechtschapen is."

  104. فَبَشَّرْنَٰهُ بِغُلَٰمٍ حَلِيمٍ﴿١٠١﴾

    Daarop verkondigden Wij hem het goede nieuws van een zachtmoedige jongen.

  105. فَلَمَّا بَلَغَ مَعَهُ ٱلسَّعْىَ قَالَ يَٰبُنَىَّ إِنِّىٓ أَرَىٰ فِى ٱلْمَنَامِ أَنِّىٓ أَذْبَحُكَ فَٱنظُرْ مَاذَا تَرَىٰ قَالَ يَٰٓأَبَتِ ٱفْعَلْ مَا تُؤْمَرُ سَتَجِدُنِىٓ إِن شَآءَ ٱللَّهُ مِنَ ٱلصَّٰبِرِينَ﴿١٠٢﴾

    Toen die zover was dat hij met hem mee kon gaan zei hij: "Mijn zoon, ik heb in de slaap gezien dat ik je zal offeren. Zie eens wat jij ervan vindt." Hij zei: "Mijn vader, doe wat je bevolen is. Je zult merken dat ik, als God het wil, iemand ben die geduldig volhardt."

  106. صفحة ٤٥٠
  107. فَلَمَّآ أَسْلَمَا وَتَلَّهُۥ لِلْجَبِينِ﴿١٠٣﴾

    Toen zij zich beiden [aan Gods wil] overgegeven hadden en hij hem op zijn voorhoofd had neergelegd,

  108. وَنَٰدَيْنَٰهُ أَن يَٰٓإِبْرَٰهِيمُ﴿١٠٤﴾

    riepen Wij hem: "Ibrahiem!

  109. قَدْ صَدَّقْتَ ٱلرُّءْيَآ إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ﴿١٠٥﴾

    Jij hebt de droom doen uitkomen. Zo belonen Wij hen die goed doen.

  110. إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ ٱلْبَلَٰٓؤُا۟ ٱلْمُبِينُ﴿١٠٦﴾

    Dit was duidelijk een beproeving."

  111. وَفَدَيْنَٰهُ بِذِبْحٍ عَظِيمٍ﴿١٠٧﴾

    En Wij gaven voor hem een geweldig offer in de plaats.

  112. وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ﴿١٠٨﴾

    En Wij lieten voor hem een goede naam bij het nageslacht na.

  113. سَلَٰمٌ عَلَىٰٓ إِبْرَٰهِيمَ﴿١٠٩﴾

    Vrede zij met Ibrahiem!

  114. كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ﴿١١٠﴾

    Zo belonen Wij hen die goed doen.

  115. إِنَّهُۥ مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُؤْمِنِينَ﴿١١١﴾

    Hij behoort tot Onze gelovige dienaren.

  116. وَبَشَّرْنَٰهُ بِإِسْحَٰقَ نَبِيًّا مِّنَ ٱلصَّٰلِحِينَ﴿١١٢﴾

    En Wij verkondigden hem het goede nieuws van Ishaak die een profeet uit het midden van de rechtschapenen zou zijn.

  117. وَبَٰرَكْنَا عَلَيْهِ وَعَلَىٰٓ إِسْحَٰقَ وَمِن ذُرِّيَّتِهِمَا مُحْسِنٌ وَظَالِمٌ لِّنَفْسِهِۦ مُبِينٌ﴿١١٣﴾

    Wij zegenden hem en Ishaak. En onder hun nageslacht zijn er die goed doen en die zich duidelijk onrecht aandoen.

  118. وَلَقَدْ مَنَنَّا عَلَىٰ مُوسَىٰ وَهَٰرُونَ﴿١١٤﴾

    Wij hebben aan Moesa en Haroen een gunst bewezen.

  119. وَنَجَّيْنَٰهُمَا وَقَوْمَهُمَا مِنَ ٱلْكَرْبِ ٱلْعَظِيمِ﴿١١٥﴾

    En Wij redden hen beiden en hun volk uit de geweldige benardheid.

  120. وَنَصَرْنَٰهُمْ فَكَانُوا۟ هُمُ ٱلْغَٰلِبِينَ﴿١١٦﴾

    Wij hielpen hen en dus waren zij de overwinnaars.

  121. وَءَاتَيْنَٰهُمَا ٱلْكِتَٰبَ ٱلْمُسْتَبِينَ﴿١١٧﴾

    En Wij gaven hun beiden het overduidelijke boek

  122. وَهَدَيْنَٰهُمَا ٱلصِّرَٰطَ ٱلْمُسْتَقِيمَ﴿١١٨﴾

    en leidden hen op de juiste weg.

  123. وَتَرَكْنَا عَلَيْهِمَا فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ﴿١١٩﴾

    En Wij lieten voor hen een goede naam bij het nageslacht na.

  124. سَلَٰمٌ عَلَىٰ مُوسَىٰ وَهَٰرُونَ﴿١٢٠﴾

    Vrede zij met Moesa en Haroen!

  125. إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ﴿١٢١﴾

    Zo belonen Wij hen die goed doen.

  126. إِنَّهُمَا مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُؤْمِنِينَ﴿١٢٢﴾

    Zij behoren tot Onze gelovige dienaren.

  127. وَإِنَّ إِلْيَاسَ لَمِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ﴿١٢٣﴾

    Ook Iljaas behoorde tot de gezondenen.

  128. إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِۦٓ أَلَا تَتَّقُونَ﴿١٢٤﴾

    Toen hij tot zijn volk zei: "Zullen jullie niet godvrezend worden?

  129. أَتَدْعُونَ بَعْلًا وَتَذَرُونَ أَحْسَنَ ٱلْخَٰلِقِينَ﴿١٢٥﴾

    Roepen jullie Baäl aan en verlaten jullie de beste van de scheppers,

  130. ٱللَّهَ رَبَّكُمْ وَرَبَّ ءَابَآئِكُمُ ٱلْأَوَّلِينَ﴿١٢٦﴾

    God, jullie Heer en de Heer van jullie vaderen die er eertijds waren?"

  131. صفحة ٤٥١
  132. فَكَذَّبُوهُ فَإِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ﴿١٢٧﴾

    Maar zij betichtten hem van leugens en dus worden zij zeker voorgeleid.

  133. إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ﴿١٢٨﴾

    Maar [dat geldt] niet voor de toegewijde dienaren van God.

  134. وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ﴿١٢٩﴾

    En Wij lieten voor hem een goede naam bij het nageslacht na.

  135. سَلَٰمٌ عَلَىٰٓ إِلْ يَاسِينَ﴿١٣٠﴾

    Vrede zij met Il-jasien!

  136. إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ﴿١٣١﴾

    Zo belonen Wij hen die goed doen.

  137. إِنَّهُۥ مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُؤْمِنِينَ﴿١٣٢﴾

    Hij behoort tot Onze gelovige dienaren.

  138. وَإِنَّ لُوطًا لَّمِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ﴿١٣٣﴾

    Ook Loet behoorde tot de gezondenen.

  139. إِذْ نَجَّيْنَٰهُ وَأَهْلَهُۥٓ أَجْمَعِينَ﴿١٣٤﴾

    Toen Wij hem en zijn familie allen tezamen redden,

  140. إِلَّا عَجُوزًا فِى ٱلْغَٰبِرِينَ﴿١٣٥﴾

    behalve een oude vrouw [die] bij de achterblijvers [bleef].

  141. ثُمَّ دَمَّرْنَا ٱلْـَٔاخَرِينَ﴿١٣٦﴾

    Toen vernietigden Wij de anderen.

  142. وَإِنَّكُمْ لَتَمُرُّونَ عَلَيْهِم مُّصْبِحِينَ﴿١٣٧﴾

    Jullie komen er immers nog voorbij, 's morgens

  143. وَبِٱلَّيْلِ أَفَلَا تَعْقِلُونَ﴿١٣٨﴾

    en 's nachts. Hebben jullie dan geen verstand?

  144. وَإِنَّ يُونُسَ لَمِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ﴿١٣٩﴾

    Ook Joenoes behoorde tot de gezondenen.

  145. إِذْ أَبَقَ إِلَى ٱلْفُلْكِ ٱلْمَشْحُونِ﴿١٤٠﴾

    Toen hij naar het volbeladen schip wegliep

  146. فَسَاهَمَ فَكَانَ مِنَ ٱلْمُدْحَضِينَ﴿١٤١﴾

    en het lot wierp; maar hij was een van de verliezers.

  147. فَٱلْتَقَمَهُ ٱلْحُوتُ وَهُوَ مُلِيمٌ﴿١٤٢﴾

    Toen slokte de vis hem op, laakbaar als hij was.

  148. فَلَوْلَآ أَنَّهُۥ كَانَ مِنَ ٱلْمُسَبِّحِينَ﴿١٤٣﴾

    En als hij niet tot hen die lofprijzen behoord had,

  149. لَلَبِثَ فِى بَطْنِهِۦٓ إِلَىٰ يَوْمِ يُبْعَثُونَ﴿١٤٤﴾

    dan was hij in zijn buik gebleven tot de dag waarop men wordt opgewekt. *

  150. فَنَبَذْنَٰهُ بِٱلْعَرَآءِ وَهُوَ سَقِيمٌ﴿١٤٥﴾

    Wij wierpen hem toen, ziek als hij was, op een onbegroeide plaats.

  151. وَأَنۢبَتْنَا عَلَيْهِ شَجَرَةً مِّن يَقْطِينٍ﴿١٤٦﴾

    En Wij lieten boven hem een pompoenplant groeien.

  152. وَأَرْسَلْنَٰهُ إِلَىٰ مِا۟ئَةِ أَلْفٍ أَوْ يَزِيدُونَ﴿١٤٧﴾

    En Wij zonden hem naar honderdduizend [mensen] -- of het waren er nog meer --

  153. فَـَٔامَنُوا۟ فَمَتَّعْنَٰهُمْ إِلَىٰ حِينٍ﴿١٤٨﴾

    die toen geloofden. Hen lieten Wij toen nog een tijd genieten.

  154. فَٱسْتَفْتِهِمْ أَلِرَبِّكَ ٱلْبَنَاتُ وَلَهُمُ ٱلْبَنُونَ﴿١٤٩﴾

    Vraag hun dan om uitsluitsel of jouw Heer de dochters heeft en zij de zonen.

  155. أَمْ خَلَقْنَا ٱلْمَلَٰٓئِكَةَ إِنَٰثًا وَهُمْ شَٰهِدُونَ﴿١٥٠﴾

    Of hebben Wij de engelen als vrouwelijke wezens geschapen terwijl zij er getuige van waren?

  156. أَلَآ إِنَّهُم مِّنْ إِفْكِهِمْ لَيَقُولُونَ﴿١٥١﴾

    Met hun lasterlijke leugen zeggen zij immers:

  157. وَلَدَ ٱللَّهُ وَإِنَّهُمْ لَكَٰذِبُونَ﴿١٥٢﴾

    "God heeft kinderen verwekt." Leugenaars zijn zij!

  158. أَصْطَفَى ٱلْبَنَاتِ عَلَى ٱلْبَنِينَ﴿١٥٣﴾

    Heeft Hij de dochters boven de zonen verkozen?

  159. صفحة ٤٥٢
  160. مَا لَكُمْ كَيْفَ تَحْكُمُونَ﴿١٥٤﴾

    Wat is er met jullie? Hoe kunnen jullie oordelen?

  161. أَفَلَا تَذَكَّرُونَ﴿١٥٥﴾

    Laten jullie je dan niet vermanen?

  162. أَمْ لَكُمْ سُلْطَٰنٌ مُّبِينٌ﴿١٥٦﴾

    Of hebben jullie een duidelijke machtiging?

  163. فَأْتُوا۟ بِكِتَٰبِكُمْ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ﴿١٥٧﴾

    Brengt dan jullie boek als jullie gelijk hebben.

  164. وَجَعَلُوا۟ بَيْنَهُۥ وَبَيْنَ ٱلْجِنَّةِ نَسَبًا وَلَقَدْ عَلِمَتِ ٱلْجِنَّةُ إِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ﴿١٥٨﴾

    En zij hebben verwantschap tussen Hem en de djinn gefabriceerd, maar de djinn weten dat zij zullen worden voorgeleid --

  165. سُبْحَٰنَ ٱللَّهِ عَمَّا يَصِفُونَ﴿١٥٩﴾

    God zij geprezen, verheven als Hij is boven wat zij toeschrijven --

  166. إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ﴿١٦٠﴾

    alleen niet de toegewijde dienaren van God.

  167. فَإِنَّكُمْ وَمَا تَعْبُدُونَ﴿١٦١﴾

    "En jullie dan, en wat jullie dienen?

  168. مَآ أَنتُمْ عَلَيْهِ بِفَٰتِنِينَ﴿١٦٢﴾

    Jullie kunnen niemand tegen Hem ophitsen,

  169. إِلَّا مَنْ هُوَ صَالِ ٱلْجَحِيمِ﴿١٦٣﴾

    behalve dan wie er braadt in het hellevuur.

  170. وَمَا مِنَّآ إِلَّا لَهُۥ مَقَامٌ مَّعْلُومٌ﴿١٦٤﴾

    Er is niemand van ons of hij heeft een vastgestelde positie.

  171. وَإِنَّا لَنَحْنُ ٱلصَّآفُّونَ﴿١٦٥﴾

    Maar wij, wij zijn het die zich in rijen opstellen

  172. وَإِنَّا لَنَحْنُ ٱلْمُسَبِّحُونَ﴿١٦٦﴾

    en wij, wij zijn het die lofprijzen."

  173. وَإِن كَانُوا۟ لَيَقُولُونَ﴿١٦٧﴾

    Zij zeiden steeds:

  174. لَوْ أَنَّ عِندَنَا ذِكْرًا مِّنَ ٱلْأَوَّلِينَ﴿١٦٨﴾

    "Als wij maar een vermaning hadden als van hen die er eertijds waren,

  175. لَكُنَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ﴿١٦٩﴾

    dan zouden wij Gods toegewijde dienaren zijn."

  176. فَكَفَرُوا۟ بِهِۦ فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ﴿١٧٠﴾

    Toch hechtten zij er geen geloof aan, maar zij zullen het weten.

  177. وَلَقَدْ سَبَقَتْ كَلِمَتُنَا لِعِبَادِنَا ٱلْمُرْسَلِينَ﴿١٧١﴾

    Ons woord was al eerder tot Onze dienaren, de gezondenen, gekomen.

  178. إِنَّهُمْ لَهُمُ ٱلْمَنصُورُونَ﴿١٧٢﴾

    Zij waren het aan wie hulp werd verleend.

  179. وَإِنَّ جُندَنَا لَهُمُ ٱلْغَٰلِبُونَ﴿١٧٣﴾

    En Onze troepenmacht, zij zijn de overwinnaars.

  180. فَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍ﴿١٧٤﴾

    Keer je dus tijdelijk van hen af.

  181. وَأَبْصِرْهُمْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ﴿١٧٥﴾

    En kijk naar hen, zij zullen naar jou kijken.

  182. أَفَبِعَذَابِنَا يَسْتَعْجِلُونَ﴿١٧٦﴾

    Willen zij dan Onze bestraffing verhaasten?

  183. فَإِذَا نَزَلَ بِسَاحَتِهِمْ فَسَآءَ صَبَاحُ ٱلْمُنذَرِينَ﴿١٧٧﴾

    En wanneer die in hun gebied neerkomt zal dat een slechte morgen voor de gewaarschuwden zijn.

  184. وَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍ﴿١٧٨﴾

    Keer je tijdelijk van hen af.

  185. وَأَبْصِرْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ﴿١٧٩﴾

    En kijk, zij zullen naar jou kijken.

  186. سُبْحَٰنَ رَبِّكَ رَبِّ ٱلْعِزَّةِ عَمَّا يَصِفُونَ﴿١٨٠﴾

    Geprezen zij jouw Heer, de Heer van de macht, verheven als Hij is boven wat zij toeschrijven.

  187. وَسَلَٰمٌ عَلَى ٱلْمُرْسَلِينَ﴿١٨١﴾

    En vrede zij met de gezondenen.

  188. وَٱلْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ﴿١٨٢﴾

    En lof zij God, de Heer van de wereldbewoners.

Quran Translation Name: Leemhuis Translator: Fred Leemhuis Language: Dutch ID: nl.leemhuis Last Update: August 5, 2012 Source: Tanzil.net

Play surah